Het moet geweest zijn toen ik zeven was. Hoe lang had ik hier niet van gedroomd? Het oerwoud, de indianen, Afrika. Nu ging het gebeuren.

Het vlot lag klaar, voor mijn huis aan de vliet. In alle vroegte zouden we vertrekken, lang voor school begon, mijn vriendje en ik. We zouden over de vlieten naar de Waterweg varen en dan de zee op, zuidwaarts. Nog één nachtje slapen.

Bijna tien jaar later, vijfde klas middelbare school, schreef ik mijn eerste zin, dat wil zeggen, de eerste zin die bedoeld was om mooi te zijn. Iets met gras dat wiegde in de wind. Ik schrok ervan, kon niet geloven dat ik dat gedaan had. Tegelijkertijd, de opwinding, de mogelijkheden die het met zich meebracht.

Op de dag van het laatste eindexamen, de trein naar Parijs. Zoeken naar iets, in de metrogangen, langs de kades van de Seine, een disco aan de rue de Rivoli. Van Frankrijk naar Spanje, en na de universteit, de grote sprong, Latijns-Amerika. In Nicaragua, de geschiedenis: de sandisisten en hun revolutie. En het eerste boek.

De reis ging verder, naar het oosten. Oorlog in Irak, gewapende vrede in Afghanistan. Een aanslag in Bagdad, een bom in Kaboel. Weer een boek. En vandaar naar het zuiden. Daar is Afrika. Niet alleen de vergaarbak van alle ellende op de wereld, maar ook vitaliteit, toekomst. Het boek moet nog komen.

Het vlot was verdwenen de volgende morgen. Een raadsel, deel van de persoonlijk mythe geworden. Schrijven is zoeken naar de woorden die je bij jezelf brengen. Het antwoord op de vraag: wie ben ik?